U bent hier

Verslag symposium vrijwilligers in de onderwaterarcheologie zaterdag 25 november 2017

Foto: Jolanda Coppens-Zwetsloot

Op zaterdag 25 november 2017 vond de derde editie plaats van het symposium voor vrijwilligers van onderwaterarcheologie in Nederland. In het gebouw van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in Amersfoort verzamelden vanaf 9:00 uur ’s ochtends al de eerste geïnteresseerden. Het programma bood een grote diversiteit aan presentaties, sprekers en onderwerpen. Het symposium werd geopend door Mark Stafleu, hoofd Strategie en Internationaal van de RCE, namens de directie. Stafleu stelde dat buiten de kringen van vrijwilligers in de onderwaterarcheologie een grote belangstelling voor het vakgebied is: bij professionals maar ook in de politiek. Zo heeft minister van Engelshoven recent Kamervragen beantwoord over maritieme archeologiehttps://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/kamervragen/detail?id=2017D24364.

Vandaag worden actuele zaken besproken: de drie pilots, kijken hoe de samenwerking is geregeld tussen vrijwilligers en professionals bij de Rooswijk en in het middagdeel wordt langer stilgestaan bij de plannen van OCW/RCE om het erfgoedbeleid te verbeteren. Stafleu vertelt dat begin 2018 hier een tweetal brieven over naar de Tweede Kamer worden gestuurd: een algemene over cultuurbeleid en één over archeologie specifiek. Reacties van de zaal worden hierin meegenomen. Jeroen ter Brugge van het Maritieme Museum in Rotterdam was de dagvoorzitter, in zijn inleidende woord stond de vraag centraal of wij de vereiste middelen bezitten om het voorgestelde doel (gezamenlijk beheer van maritiem erfgoed) te bereiken?

Terugblik op 2016

Na de inleiding van Jeroen Ter Brugge blikte Thijs Coenen namens de RCE terug op de afspraken die in 2016 zijn gemaakt. Eén van de belangrijkste was om open en transparant met elkaar te communiceren. Daarom is een regulier overleg ingesteld tussen de RCE, LWAOW en Stimon. Dat heeft in 2017 drie maal plaatsgevonden en zal ook volgend jaar worden voortgezet. Delen van informatie gebeurt ook via andere (digitale) wegen, zoals de website http://www.maritiem-erfgoed.nl en een actieve Facebookpagina https://www.facebook.com/maritiemprogramma Helaas is het niet gelukt om het virtuele museum online te krijgen. Voor de uitwisseling van informatie tussen vrijwilligers en professionals was dit juist heel gewenst. Er wordt nu gewerkt aan een eenvoudigere variant, een update van de al bestaande wrakkendatabase Wrecks in Situ. Hiervan wordt een nieuw ontwerp voor gemaakt, waarvoor input van vrijwilligers gevraagd. De database krijgt ook een nieuwe naam: MaSS https://mass.maritime-heritage.com/

Hiernaast heeft de RCE afgelopen zomer weer onderzoek uitgevoerd op een aantal wrakken in de Waddenzee. Dit volgde uit het instandhoudingsplan dat afgelopen jaar is vastgesteld voor het Rijksmonument Burgzand Noord. Bij het veldwerk is samen met het programma Rijke Waddenzee tevens geëxperimenteerd om de relatief kwetsbare afgedekte wrakken met behulp van natuurlijk hard substraat beter te beschermen. Hiermee zou tegelijk de biodiversiteit vergroot kunnen worden https://www.maritiem-erfgoed.nl/inhoud/bescherming-scheepswrakken-en-kansen-voor-biobouwers-de-waddenzee Er zijn ook een tweetal recent vrijgespoelde wrakken geïnspecteerd.

Het afgelopen jaar is wederom in samenwerking met de LWAOW de cursus onderwaterarcheologie voor vrijwilligers georganiseerd. Daarnaast zijn er grote sprongen gemaakt in virtual reality in samenwerking met Ab Hoving, voormalig hoofdconservator scheepvaartmodellen van het Rijksmuseum, en de hogeschool van Leeuwarden. In deze digitale wereld kan de gebruiker over een zeventiende-eeuws Nederlands schip lopen en krijgt deze inzicht in hoe een dergelijk schip in elkaar zit. Tijdens de pauzes konden deelnemers vast een voorproefje krijgen met behulp van Virtual Reality apparatuur.

Tot slot werd genoemd dat de STIMON, LWAOW en AWN een brief naar OCW en de vaste Kamercommissie hebben gestuurd waarin wordt gepleit voor een vrijstelling in de Erfgoedwet, zodat het mogelijk is voor vrijwilligers om op beperkte schaal vondsten op te duiken en nader te onderzoeken. Een tweede brief om de beperkingen van de huidige ARBO-regels aan te kaart werd ten tijde van het symposium opgesteld door de vrijwilligersorganisaties.

Drie pilots geëvalueerd

Na de pauze werden drie pilots gepresenteerd, die waren opgestart om te onderzoeken op welke wijze vrijwilligers . in de onderwaterarcheologie een bijdrage konden leveren bij de zorg voor het culturele erfgoed dat onder water ligt.

Texel

Allereerst werd de pilot van Texel gepresenteerd door Guido Mauro (RCE), Michel Bartels (regio-archeoloog West-Friesland en verbonden aan Gemeente Texel) en Harmen de Weerd (Gemeente Texel, beleid). [https://www.maritiem-erfgoed.nl/artikelen/pilot-van-start-voor-behoud-archeologisch-erfgoed-texelse-zeebodem] Mauro vertelde als eerste dat het proces de eerste maanden moeizaam verliep en dat er sprake was van argwaan onder de projectleden. Geleidelijk werd echter vertrouwen onderling gegeven en gekregen. Het protocol zou gelden van 2015 tot 2016 maar was met een jaar verlengd. De pilot had de volgende resultaten opgeleverd: er is een instandhoudingsplan voor het Rijksmonument vastgesteld waarmee personele inzet en middelen in ieder geval tot en met 2021 zijn vastgelegd. Hierbij is ook een rol weggelegd voor de Duikclub Texel (DCT) op het gebied van monitoring en klein onderhoud. Bovendien zijn vier scenario’s ontwikkelt over de BZN 17 (Palmhoutwrak). De voorkeursvariant van de projectgroep bestaat uit een kleinschalig onderzoek om de reeds geborgen vondsten een betere context te geven zodat de wetenschappelijke betekenis van de collectie beoordeeld kan worden. Hij eindigde zijn deel van de presentatie met een aantal aanbevelingen.

Aan het Rijk:

  • Bied vrijwilligers de mogelijkheid om gidsvondsten en objecten die dreigen te verspoelen te bergen;
  • Pas de Arbo wetgeving aan zodat vrijwilligers en professionals gezamenlijk onder water kunnen gaan;
  • Maak meer (intensiever) onderzoek in Nederlandse wateren mogelijk. 

Aan alle overheden:

  • Stel een transparant afwegingskader op;
  • Betrek vrijwilligers actief bij monitoring en geef duidelijk aan welke informatie gewenst is en zorg voor een actieve. terugkoppeling;
  • Stel vaste aanspreekpunten aan voor vrijwilligers;
  • Leg op actieve wijze contact tussen vrijwilligers en professionele erfgoedzorgers, bijvoorbeeld met een symposium als deze.

Ten slotte aan de organisaties van vrijwilligers:

  • Maak leden welke spelregels er (gaan) gelden en let op de naleving hiervan.

Hierna gaf Michiel Bartels aan hoe hij samen met DCT de opgaven van het project heeft opgepakt om het gemeentelijk beleid vorm te geven. De logboeken van de duikers zijn gedigitaliseerd en gestructureerd zodat de gegevens kunnen bijdragen aan een archeologische waardenkaart. Hiervoor is een wrakkendatabestand ontwikkelt. Dit biedt de basis voor een gemeentelijk maritiem erfgoedbeleid. Vervolgens is DCT gericht op een aantal locaties gaan duiken om te kijken wat er lag. Tegelijkertijd heeft Harmen de Weerd (archeoloog en GIS specialist, verbonden aan de gemeente Texel) een grote hoeveelheid data over vindplaatsen in de wateren rondom Texel geïnventariseerd, deze vervolgens gemodelleerd om zo de kansen en bedreigingen te herkennen en vooruit te blikken. Er is een gebiedsgerichte kaart gemaakt in plaats van een objectgerichte. Door monitoringsgegevens van bijvoorbeeld de DCT te vergelijken met deze kaart, is het mogelijk te herkennen in welke gebieden erosie heeft plaatsgevonden. Actieve bedreigingen zijn locaties waar bijvoorbeeld mosselvanginstallaties zijn. In de toekomst zal hiervan een beleidskaart worden opgesteld waarin met behulp van monitoring (o.a. door DCT) en waardering het zichtbaarder wordt waar dreiging en kansen liggen.

Noordzee

De pilot van de Noordzee werd als tweede gepresenteerd, door Jorn Jongma (RCE) en Bjorn Sloos (Wrakduikteam de Zeester). https://cultureelerfgoed.nl/nieuws/rijk-werkt-samen-met-sportduikers-aan-verkenning-wrakken-noordzee De belangrijkste afspraken die bij het opstellen van het protocol gemaakt zijn, waren:

  • Vooraf een vaarplan indienen bij de kustwacht, defensie, RCE en erfgoedinspectie waarin staat in welk vak gedoken wordt en hoeveel duikers meegaan;
  • Een logboek van observaties van de duiken bijhouden;
  • Selectief voorwerpen meenemen die gebruikt kunnen worden voor identificatie van een vindplaats of die dreigen weg te spoelen;
  • Vondsten binnen twee weken melden bij RCE;
  • Vondsten blijven eigendom van de staat of andere eigenaar, maar mogen beheerd worden door het duikteam.

De samenwerking is als uitmuntend ervaren, er is vertrouwen tussen de partijen. Ruimte voor verbetering is mogelijk in de informatie die beroepsarcheologen ontvangen, deze horen graag in welke omstandigheden het wrak aangetroffen is. Regelmatig contact tussen RCE en duikers is belangrijk om meldingen onmiddellijk te kunnen behandelen, ook al is de vertraging hierin logisch. Het beperkte materiaal dat is meegenomen is goed verzameld en gedocumenteerd, en de duikers hebben bijgedragen aan de kennis over wrakken op de Noordzee en hiermee ook de samenwerking geïntensiveerd.

Zeeland

De derde en laatste pilot was uitgevoerd in Zeeland en werd door Robert van Dierendonck (Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland) en Ber Sterkendries (Nehallenia Archeologisch Duikteam) gepresenteerd. Duikers van het NAD hebben archeologische vindplaatsen onderwater in kaart gebracht, onderzocht en gemonitord. https://www.maritiem-erfgoed.nl/inhoud/pilot-maritiem-erfgoed-zeeland-gestart Afspraken met het Nehalennia Archeologisch Duikteam (NAD) waren:

  • Aansluiting met de LWAOW;
  • Een onderzoeksprogramma per jaar, werd later PvA;
  • Toestemming en goedkeuring van RCE, SCEZ en provincie Zeeland;
  • Rapportage van alle duiken in een standaard duikrapport;
  • Alleen losse vondsten bergen;
  • Deponering van de vondsten in Zeeuws Archeologisch Depot.

Eén van de onderzochte vindplaatsen betrof een wrak bij de Zeelandbrug, waarvan de ondergang op een schilderij met zicht op de Zierikzee stond. Op 17 meter diep werden door sonaronderzoek wrakresten ontdekt, waarna met toestemming een aantal losse delen zijn geborgen. Datering was helaas niet mogelijk, en na een aantal duiken werd het duidelijk dat er waarschijnlijk een aantal wrakken uit verschillende periodes op elkaar liggen. De samenwerking bleek vruchtbaar, en het depot kon controle uitvoeren doordat de duikrapporten en vondsten tegelijkertijd binnenkwamen. Belangrijk in deze pilot was het herbezoeken van bekende wrakken, vooraf moest worden afgesproken of vondsten wel of niet opgedoken mochten worden. Uit de pilot volgde de suggestie om een landlijn aan te leggen met een maritiem archeoloog van de RCE om binnen een paar uur duidelijkheid te hebben of een vondst wel of niet opgedoken mag worden.

Na de presentaties was er een korte ronde om te reflecteren op de drie pilots. De meeste aanwezigen waren zeer positief over de initiatieven, waarin vrijwilligers duidelijk een rol kregen bij het beheer van cultureel erfgoed onder water. Ook de deelnemende partijen waren grotendeels tevreden. De enige kanttekening was dat met name de betrokken gemeenten, provincies en duikteams van de verschillende pilots achteraf gezien mogelijk meer hadden kunnen overleggen met elkaar. Op die manier hadden ze al tijdens de pilots van elkaars ervaringen kunnen leren.

De Rooswijk

Na de pauze sprak Susan Lammers, de pas benoemde algemeen directeur van de RCE, het publiek kort toe. Zij benadrukte dat het waardevol is gezamenlijk erfgoed te bewaken, en dat de overheid met groeiende mate het maritiem erfgoed erkent. Het maritieme erfgoed van Nederland is belangrijk om de gedeelde geschiedenis van het land te vertellen.

Hierna presenteerden Joop Gortemaker en Feiko Riemersma (LWAOW) hun ervaringen met het Rooswijk 1740 project. Aangezien De Rooswijk in Engelse wateren ligt, heeft de RCE een hechte samenwerking met de Nautical Archeology Society (NAS) gestart. Beiden hadden deelgenomen aan het duikproject voor vrijwilligers. Dit onderzoek heeft nieuwe informatie opgeleverd over een deel van de vindplaats waar archeologen nog weinig hadden gedoken. Dit toonde aan hoe waardevol het is wanneer opgedane kennis wordt gedeeld tussen professionals en vrijwilligers. Een belangrijke tip voor de toekomst is dan ook om te kijken naar de aanpak van andere landen, want daar valt soms nog veel van te leren. Bekijk hun video op https://www.youtube.com/watch?v=7t_FNUzCEKs Lees meer over de Rooswijk en de samenwerking met vrijwilligers op: https://www.maritiem-erfgoed.nl/inhoud/de-rooswijk-en-de-samenwerking-met-amateur-archeologen 

Vergane schepen

Seger van den Brenk (Periplus Archeomare) zette tot slot een aantal van de meest bedreigde wrakken op Nederlandse bodem op een rij. Hierbij werd ook de Ritthem genoemd, dat in de vaargeul van de Westerschelde dreigt te zakken. Politiek gezien ligt deze casus gevoelig, aangezien er op dit moment geen goede oplossing voor handen is. Leonard de Wit (Afdelingshoofd van de regio Noord-West bij de RCE) stelt dat we naar een oplossing moeten werken waarbij meer vindplaatsen die de moeite waard zijn, onderzocht kunnen worden. Hier konden de meeste aanwezigen zich goed in vinden, waarbij tegelijkertijd werd opgeroepen om snel actie te ondernemen in plaats van alleen maar te blijven praten.

Gesprek over de toekomst

Het laatste deel van de dag werd besteed aan een plenaire presentatie en gesprek over de toekomst. Onder begeleiding van Joost Kuggeleijn (OCW), Bjorn Sloos (STIMON) en Jan Venema (LWAOW) werden kwesties met de groep gedeeld. Joost Kuggeleijn startte zijn presentatie getiteld ‘Meer ruimte voor de vrijwilliger’ waarin op een rijtje werd gezet waar OCW naartoe wil met de uitzondering in het besluit Erfgoed en Archeologie (BEA) in de Erfgoedwet:

  • De uitzondering heeft betrekking op het ter identificatie van de bodem meenemen van voorwerpen of het van de bodem meenemen van voorwerpen die acuut bedreigd worden;
  • Een opgraving die verder gaat dan dat mag alleen plaatsvinden op die locaties waar een negatief selectiebesluit genomen is door het bevoegd gezag;
  • De uitzondering heeft geen betrekking op (voorbeschermde) rijks- provinciale of gemeentelijke monumenten;
  • Meegenomen voorwerpen blijven eigendom van de eigenaar (depot, land, bedrijf etc.), maar het beheer kan bij de vinder liggen, mits de vondsten zijn gemeld;
  • Voorwaarde voor wat betreft de Noordzee is dat het vaarplan vooraf is gemeld aan de Kustwacht;
  • Het melden, rapporteren, documenteren en conserveren van vondsten (art. 5.6 en 5.4.1 Erfgoedwet) is verplicht (idem land);
  • Uiteraard moeten alle reguliere voorschriften die betrekking hebben op de gang van zaken op en onder water, bijvoorbeeld m.b.t. het duiken in vaargeulen, worden nageleefd;
  • De uitzondering geldt voor leden van de koepels die op basis van het gewijzigde BEA een convenant met OCW hebben gesloten (STIMON en LWAOW/AWN);
  • Onderdeel daarvan is een code of conduct ten aanzien van de omgang met archeologie onder water, die in lijn is met de Erfgoedwet en het BEA;
  • De koepels verbinden gevolgen aan het overtreden van de code of conduct door hun leden;
  • Het rijk kan ook zelf tot vervolging overgaan (Erfgoedinspectie/OM).

Belangrijke aandachtspunten waren:

  • Meldingen moeten ook echt worden gedaan.
  • Wanneer iets grijs gebied is er juist wel over praten.
  • Erkenning is belangrijk.
  • De uitzondering is onderdeel van een bredere discussie over maritiem erfgoed.

Namens STIMON deelde Bjorn Sloos dat het momenteel een stichting is met donateurs. Om een convenant met OCW te kunnen sluiten zal de rechtsvorm van STIMON moeten worden veranderd in een vereniging, een besluit waar de huidige donateurs vrij positief in lijken te staan. In de discussie die hierop volgde kwamen een aantal kwesties ter sprake. Een daarvan was dat gemeenten nog onvoldoende op de hoogte zijn van hun verantwoordelijkheid bij het beheer van maritieme erfgoed. In 2014 heeft het Maritiem Programma van de RCE hier veel inzet op gepleegd https://www.maritiem-erfgoed.nl/adviseren, maar mogelijk moet er dus opnieuw in worden geïnvesteerd. Ook is het voor vrijwilligers niet altijd duidelijk hoe zij een samenwerking met een gemeente op kunnen zetten. Hier is een publicatie over verschenen bij de RCE, deze is te downloaden via https://www.maritiem-erfgoed.nl/artikelen/de-kracht-van-vrijwilligers-samenwerking-van-de-gemeente-en-vrijwilligers-de-archeologie

Tot slot volgende er een discussie over de transparantie van data-uitwisseling. Aan de ene kant bestaat een grote behoefte bij zowel professionals als vrijwilligers om data met elkaar uit te wisselen. Maar aan de andere kant wordt erkend dat door openbaarmaking van locaties van vindplaatsen het risico op plundering toeneemt. Al geruime tijd worden op kleine schaal deze gegevens uitgewisseld: door vrijwilligers die vondstmeldingen doen aan de RCE, vanuit de RCE door locaties van mogelijke vindplaatsen te verstrekken aan vrijwilligers, zodat zij daar duikonderzoek kunnen uitvoeren. Deze initiatieven zouden mogelijk dus uitgebreid kunnen worden.

Conclusie

Gedurende de dag kwam duidelijk naar voren hoe sterk de wil van de vrijwilligers en overheid is om samen te werken. Niet alleen bij het in kaart brengen van maritiem erfgoed op de Nederlandse waterbodem, maar ook bij het beheer ervan. Door met elkaar in gesprek te raken (en blijven) wordt die samenwerking steeds beter, en met het aanpassen van het Besluit Erfgoed en Archeologie van de Erfgoedwet zal dit alleen maar toenemen. Tijdens het napraten op de afsluitende borrel werden gelijk nieuwe initiatieven bedacht, van het in kaart brengen van vindplaatsen met fotogrammetrie, tot aan het meehelpen aan cursussen.

Reacties