U bent hier

Proefschrift Martijn Manders over beheer onderwatererfgoed in de Waddenzee

Proefschrift Martijn Manders: 'Preserving a layered history of the Western Wadden Sea. Managing an underwater cultural heritage resource'

Hoe beheren we ons onderwatererfgoed? Dat is de hoofdvraag van het proefschrift van maritiem archeoloog Martijn Manders. De publicatie 'Preserving a layered history of the Western Wadden Sea. Managing an underwater cultural heritage resource' is nu digitaal beschikbaar (Engels).

Manders, werkzaam als programmaleider maritiem erfgoed bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. promoveerde 12 december 2017 aan de Universiteit Leiden. Zijn onderzoek richtte zich op de Waddenzee. Een werelderfgoed met veel belangen en verschillende waarden, waaronder economische en cultuurhistorische. Dat maakt het beheer complex.

Veel van wat zich aan cultureel erfgoed in Nederlandse wateren bevindt is nog onbekend. Maar we kunnen wel meer inschatten, onderzoeken en voorspellen dan we nu doen. Als we meer inzicht hebben, kunnen keuzes gemaakt worden over het beheren van vindplaatsen onder water. Keuzes over wat we beschermen, monitoren, onderzoeken of zelfs deselecteren. Daarbij is het in situ bewaren geen wondermiddel, maar een deel van de oplossing, net als opgraven en onderzoeken.

Manders: ‘We moeten gefundeerde keuzes maken. Daarvoor hebben we kennis nodig, capaciteit en geld en de samenwerking met stakeholders is essentieel. Alles staat en valt met draagvlak voor het erfgoed'.

Samenvatting

Nederland is een maritieme natie met een enorm rijk verleden waarvan vele resten nog  altijd – veelal goed bewaard – op en in waterbodems liggen. Dit onderwater cultureel erfgoed - onder andere kades, bruggen en vooral veel scheepswrakken - wordt bedreigd. Het biedt echter ook kansen voor een beter begrip van een rijk verleden, de huidige maatschappij en het kan ons zelfs helpen in het creëren van een beeld naar de toekomst toe. Als we die kansen willen benutten is het wel noodzaak  zorgvuldig om te gaan met dit erfgoed.

Dit proefschrift laat door middel van een testgebied – het Westelijk deel van de Waddenzee rondom de oude rede van Texel – zien waar de bedreigingen voor het onderwater cultureel erfgoed liggen, hoe deze zijn te mitigeren en op welke wijze gebruik kan worden gemaakt van het erfgoed.  Onderwater erfgoed is voor velen onzichtbaar en veelal geldt dan ook de uitdrukking ‘uit het oog uit het hart’.  

Ondanks het feit dat het maar weinigen gegeven is om duikend de bodem van de Waddenzee af te speuren en te onderzoeken, kunnen we op basis van veel reeds bekende informatie over het gebied een goede inschatting maken waar we wel en waar we geen cultureel erfgoed op en vooral in de bodem kunnen aantreffen. Met behulp van een Geografisch Informatie  Systeem (GIS) waarmee we de kaarten in de Historisch Geomorfologische Kaartenset (HGK)  kunnen vergelijken, kunnen we op gebiedsniveau uitspraken doen over de mogelijkheid voor het aantreffen van bijzondere vindplaatsen. Dit is voor de Westelijke Waddenzee uitvoerig getest. Bekende voorraad (de vindplaatsen die al bekend zijn), mechanische, chemische, biologische en menselijke bedreigingen, geologische gelaagdheid en het gebruik door de eeuwen heen, vertellen allemaal over de kans om vindplaatsen aan te treffen.  

Het erfgoed onderwater kan goed bewaard blijven, maar er zijn veel processen die het erfgoed bedreigen. We kunnen de cultuurhistorische vindplaatsen daartegen beschermen. De manier waarop wij dat doen hangt af van de waarde die we de vindplaats toedichten; is het ons puur om de wetenschappelijke waarde te doen, willen we ervan genieten, of is het ook een plek van herinnering? 

Informatie over het verleden die ligt opgesloten in de locaties op en in de zeebodem kunnen we bewaren door de vindplaatsen op locatie te beschermen en te beheren. Dat noemen we in situ bescherming. Dit kan met verschillende methoden, om verschillende redenen en voor verschillende lengtes van perioden. Dat hangt mede af van de redenen waarom we de vindplaats primair willen beschermen en wat de omstandigheden zijn waarin we dit kunnen en willen doen.  Vaak wordt het in situ beheer aangehaald als een goedkopere optie. Wanneer we het beheer echter op een verantwoorde manier willen doen, dan valt  die kostenbesparing nog maar te bezien. Immers, bij in situ beheer hoort ook een - soms intensieve - verantwoordelijkheid. Het effect van de juridische en/of fysieke bescherming moet in de gaten worden gehouden om zodoende te kunnen reageren op veranderingen. Dit noemen we monitoren en dit is dan ook gelijk een belangrijke reden waarom in situ beheer niet direct een goedkope optie kan worden genoemd. Het in de gaten houden van archeologische vindplaatsen op de zeebodem is namelijk niet eenvoudig en (dus) ook niet goedkoop.

Monitoring, fysieke bescherming en andere beheersactiviteiten kunnen de kosten flink opdrijven. 

In situ beheer en opgraven zijn beiden belangrijke en onmisbare stappen in het archeologisch erfgoedbeheer waarin we het erfgoed beschouwen als een bron van kennis over het verleden, een bron om van te genieten en een bron voor herdenking en overdenking. Erfgoed midden in de samenleving dus en met een maatschappelijke rol.

We moeten keuzes maken: wat we beschermen, wie dat doet, hoe we dat doen, voor wie en voor hoe lang. Dit betekent ook dat we op verschillende niveaus verschillende keuzes kunnen maken. Dit past goed bij het gedecentraliseerde erfgoedbeleid waarin meer stakeholders dan ooit participeren,  waarbij coördinatie voor en besluitvorming over het beheer op verschillende overheidsniveaus plaatsvinden.  

Technisch gezien blijft het tot op heden lastig om volledig bedekte vindplaatsen te lokaliseren in de bodem. De vindplaatsen die we aantreffen zijn veelal vrij gespoeld en worden sterk bedreigd door erosie en andere degradatieprocessen.  In situ bescherming vormt dan een onmiddellijke uitdaging, nog voordat we überhaupt over opgraving kunnen gaan praten. De HGK kan ons helpen bij het beschermen van gebieden met een hoge potentie, voordat deze ten prooi vallen aan allerlei degradatieprocessen. In plaats van op vindplaatsniveau zouden we hele gebieden aan kunnen wijzen als potentieel belangrijk. Gebiedsgewijze aanpak heeft als voordeel dat meer wordt gekeken naar de samenhang van de vindplaatsen en de rol die het gebied in de cultuur speelt en heeft gespeeld. Ook dit zou aantrekkelijk kunnen zijn voor regionale overheden. 

Er is dus actief beleid nodig om erfgoed onderwater goed te kunnen beheren. Daarvoor is geld en draagvlak nodig. Draagvlak creëren voor iets dat je niet ziet is lastig. Toch zijn er methoden om het onderwater cultureel erfgoed in Nederland toegankelijk te maken voor het publiek. We kunnen de vindplaats naar het publiek brengen zonder het in eerste instantie op te graven, door onder andere het gebruik van de nieuwste digitale technieken. We kunnen ook het publiek naar de vindplaats brengen zonder hen direct met duikapparatuur onderwater te sturen. En als we dat wel doen, dan kunnen we ervoor zorgen dat deze bezoekers er iets van opsteken en kunnen genieten door hen (op de plaats) van informatie te voorzien.  Zo maken we het cultureel erfgoed onderwater inzichtelijk, toegankelijk en creëren we daarmee ook een groter draagvlak voor een beheer waarin in situ bescherming, monitoring én opgraving geaccepteerd en ook mogelijk zijn.

Reacties