U bent hier

Nederlands marine onderwijs in Japan 1855-1859

De Soembing werd herdoopt in Kanko Maru (vrij vertaald ‘in het zicht van de glans en glorie’)

Door: Dick Vries:

Isolement

In Japan berustte de macht over het feodale land vanaf 1623 bij de shogun Tokugawa Iemiitsu. Om zijn positie te consolideren, nam hij tussen 1633 en 1639 onder meer een reeks van maatregelen, die het land isoleerden van de buitenwereld. Het christendom werd uitgebannen, en zelfs het bezit van buitenlandse boeken bleef in Japan tot in de 18e eeuw strikt verboden. Alleen aan Chinezen en aan Nederlanders van de Verenigde Oostindische Compagnie VOC werd onder beperkende voorwaarden toegestaan om handel te drijven in de stad Nagasaki. Voor de vestiging van een handelsnederzetting werd de Nederlanders in 1641 het kunstmatig aangelegde eiland Dejima in de binnenbaai van Nagasaki aangewezen. Het gouvernement in Batavia handhaafde de factorij na de nationalisering van de VOC in 1796. Nog tot halverwege de 19e eeuw weerstond het Tokugawa shogunaat alle Russische, Engelse, Amerikaanse en ook Nederlandse pogingen om het isolement van Japan af te zwakken. De toenemende handel, verbeterde communicatie, en militaire technologie brachten echter een nieuwe tijdgeest die in geheel Azië spanningen, en conflicten, teweeg bracht. In 1852 berichtte de Amerikaanse ambassadeur in Nederland de minister van Koloniën C.F. Pahud over een voorgenomen expeditie om de openstelling van Japanse havens af te dwingen. Het was voor de Verenigde Staten niet langer aanvaardbaar dat Amerikaanse walvisvaarders in de Noordelijke Stille Oceaan en handelsschepen op de vaart naar China voor bevoorrading en reparaties verstoken bleven van de toegang tot Japanse havens. De Nederlandse regering reageerde op het Amerikaanse signaal door zich te beraden op een nieuw diplomatiek offensief met het doel de aard van de bestaande Nederlands-Japanse betrekkingen te verruimen. Al snel ontstond de gedachte om daarmee ook de weg te effenen voor de op termijn onvermijdelijk geachte vrijhandel tussen de westerse mogendheden en Japan. De vooraanstaande jurist mr. J.H. Donker Curtius werd vanuit Batavia als ‘opperhoofd van de Nederlandse handel’ naar Dejima gezonden om het Nederlandse initiatief in goede banen te leiden.

Openstelling

In juli 1853 verschenen Amerikaanse oorlogsschepen in de baai van Edo (Tokio). Commodore Matthew Galbraith Perry overhandigde de Amerikaanse ‘wensen’, en keerde een half jaar later terug om het antwoord te vernemen. Op 31 maart 1854 vond de ondertekening plaats van een Amerikaans-Japans verdrag dat Amerikaanse koopvaardijschepen voortaan de gelegenheid bood om in de havens van Shimoda en Hakodate te repareren en te bevoorraden. Geleidelijk deed Japan vervolgens vergelijkbare concessies aan andere westerse landen. De succesvolle Amerikaanse ‘gunboat diplomacy’ versterkte evenwel ook het gevoel van urgentie in Japan om zelf over een moderne marine te beschikken. Vanuit Dejima werkte Donker Curtius intussen voorzichtig aan zijn diplomatieke opdracht om een Nederlands-Japans verdrag tot stand te brengen. In augustus 1854 kreeg hij bezoek van kapitein-luitenant ter zee Gerhardus Fabius, die met het raderstoomschip Zr. Ms. Soembing vanuit Batavia naar Dejima was gezonden om polshoogte te nemen, en waar mogelijk ondersteuning te bieden. Gedurende zijn twee maanden durende verblijf in de binnenbaai van Nagasaki adviseerde Fabius de Japanse regering over de vorming van een moderne marine, en verzorgde hij lessen in scheepsbouw, stoomwerktuigkunde, artillerie en zeevaartkunde.

Het daarop volgende jaar keerde Fabius terug met de raderstoomschepen Zr. Ms. Gedeh en Soembing. Zijn opdracht was om Donker Curtius in de gelegenheid te stellen de Soembing namens koning Willem III aan de shogun te schenken. Na de aanvaarding van dit belangrijke geschenk vond de overdracht plaats op 5 oktober 1855, en werd de Soembing het eerste stoomschip van de Japanse Marine. Het was de Japanners eveneens duidelijk geworden dat er marinepersoneel naar westerse maatstaven moest worden opgeleid. Aan de Nederlanders werd dan ook verzocht voor langere tijd een marinedetachement in Nagasaki achter te laten. Dit verzoek werd gehonoreerd nadat de verlangde volledige bewegingsvrijheid voor de Nederlandse instructeurs in Nagasaki en omgeving was toegezegd. De sleutels van de poorten op Dejima werden letterlijk voor het eerst sinds 1641 in handen van de Nederlanders gelegd! Het voornamelijk uit de bemanning van de Soembing gerekruteerde Nederlandse marinedetachement bestond uit 22 man. Het bevel berustte bij luitenant-ter-zee 1e klasse G.C.C. (Gerrit) Pels Rijcken, die de Soembing had gecommandeerd tijdens de overtocht naar Nagasaki. Er werd woonruimte voor het detachement ingericht op Dejima waar Pels Rijcken inwoonde bij Donker Curtius. Vanaf 15 november 1855 was het detachement voor een periode van bijna twee jaar op zichzelf aangewezen.

De hierna volgende paragraaf is een sterk ingekorte weergave van de belevenissen van het Nederlandse marinedetachement tijdens het eerste volledige jaar (1856) van de Marineschool in Nagasaki. De verkorte beschrijving beperkt zich bovendien tot de bijzondere vraagstukken die de instructeurs ontmoetten bij het verzorgen van onderwijs.

Complicaties

In Edo (Tokio) selecteerde het shogunaat 48 leerlingen uit de samoerai-stand voor de opleiding tot marineofficier aan de Marineschool in Nagasaki. De Nederlanders noemden ze keizerlijke aspirant-officieren. Een aantal daimyo’s (landsheren) maakte eveneens gebruik van de mogelijkheid om leerlingen te zenden. In de eerste dagen van december 1855 vond de officiële opening van de Nagasaki Marine School (Nagasaki Kaigun Denshu-jo) plaats met een plechtigheid op Dejima. Er traden in totaal ongeveer 100 aspirant-officieren uit de samoerai-stand aan, en een ongeveer gelijk aantal leerlingen uit de lagere standen voor een opleiding tot onderofficier, machinist, stoker of matroos. In Japan bestond een strikt standsverschil tussen samoerai (krijgers) enerzijds, en stedelingen en boeren anderzijds. Deze standsverschillen waren onoverbrugbaar, en promotie op grond van kennis, verdiensten en bekwaamheid was op voorhand uitgesloten.

De Japanse staf van de marineschool bestond, naast de directeur en tevens admiraal van de Japanse marine, Nagai Naoyuki, uit 41 man ondersteunend personeel en 14 tolken. De marineschool beschikte voor exercities over een werfterrein in Nagasaki. Hoog daarboven lag een oude gouverneursresidentie waar de Japanse aspirant- officieren woonden en waar zich ook de woning van Nagai bevond. Een brede stenen trap leidde vanaf het werfterrein naar het complex, waarin twee klaslokalen voor de marineschool werden ingericht. Deze onverwarmde leslokalen waren alleen van de buitenlucht gescheiden door houten schuifwanden die met dun papier waren beplakt. De lesomstandigheden werden dan ook buitengewoon onaangenaam wanneer de temperatuur in het subtropische zuiden van Japan halverwege de maand december tot rond het vriespunt daalde. De Nederlandse instructeurs hanteerden een rooster voor 6 lesdagen per week en een naar westers model ingericht onderwijsprogramma. De met behulp van Japanse tolken verzorgde theoretische lessen aan de aspirant-officieren begonnen omstreeks 8 uur in de ochtend en in de winterperiode om 9 uur. De tolken stonden voor de zware opgave om zich voor een goede kennisoverdracht vergaand te verdiepen in de lesstof en in de nautisch-technische terminologie.

Een andere complicatie vormden de aangehaalde standsverschillen waarover Pels Rijcken op 13 december 1855 rapporteerde dat ‘het respect voor een hogere stand zo groot is dat dit de tolk belet zodanig vertoog met de nodige klemtoon over te brengen’. Een deel van de leerlingen volgde trouwens met veel enthousiasme lessen in de Nederlandse taal, aardrijkskunde en geschiedenis. Pels Rijcken moedigde dit aan, omdat zij ‘door de kennis van die taal en door het gebruik der daarin geschreven boeken zich zelf zouden kunnen helpen’. Het middagprogramma stond in het teken van praktijkonderricht, onder meer aan boord van de Soembing. De Nederlandse onderofficieren, machinisten, stokers en matrozen verstrekten praktijkopdrachten aan de leerlingen en zagen toe op de uitvoering. Het onderwijsprogramma voorzag in een basisprogramma zeemanschap voor alle leerlingen, maar veel aspirant-officieren waren eigenlijk al te oud om het matrozenwerk nog te kunnen leren. Het volgens Pels Rijcken ‘ingewortelde begrip van standen’ had bovendien tot gevolg dat met name keizerlijke aspirant-officieren niet op de les verschenen als ze een praktijkopdracht beneden hun stand inschatten. Pels Rijcken kon ze niet of nauwelijks overtuigen van hun verantwoordelijkheid als aankomende officieren om op de uitvoering van alle taken aan boord toe te zien. Andersom waren er ook oefeningen die niet voor de lagere standen open stonden. Zo konden matrozen aanvankelijk niet deelnemen aan geweer- en geschutexercities vanwege het voor de lagere standen geldende verbod om wapens te dragen. Op aandringen van Donker Curtius en Pels Rijcken trok Nagai dit verbod al snel in. Verder bleken de 48 keizerlijke aspirant-officieren al in Edo geselecteerd te zijn voor de volgende toekomstige posities in de Japanse Marine: gezagvoerder (3), zeeofficier (4), scheepsbouw (5), stoomwerktuigkunde (5), zeilvoering (5), artillerie (17), astronomie, geografie en landmeting (4), zeilmakerij en touwslagerij (1), administrateur (1) en tamboer (3). Relevante kennis, aanleg en vaardigheden hadden geen rol gespeeld bij de toewijzing van deze beroepen en vakgebieden. Het animo onder hen voor de niet direct daaraan gerelateerde onderdelen uit het onderwijsprogramma was gering.

Maatregelen

De Japanse aspirant-officieren beschikten voorts over niet de minste kennis van westerse exacte wetenschappen. Om toch toe te kunnen werken naar een voor hen onontbeerlijk kennisniveau kregen ‘rekenkunst, stelkunst (i.c. algebra) en meetkunde’ een prominente plaats in het onderwijsprogramma. De officier van administratie De Jonge begon met de aspirant-officieren vanaf de basis de westerse methoden voor vermenigvuldigen en delen aan te leren. Onder de gegeven omstandigheden troffen de instructeurs trouwens in ieder vakgebied specifieke maatregelen om de beste resultaten te behalen. Ze maakten ‘de kennis van het stoomwerktuig’ vooral aanschouwelijk met tekeningen en modellen. Het enthousiasme onder de Japanse leerlingen voor dit vakgebied was trouwens groot en velen bleken zeer bedreven te zijn in het tekenen van scheepsstoommachines en in het vervaardigen van houten modellen. Met de hulp van de leerlingen demonteerden de machinisten Doornickx en Everaars de stoommachine van de Soembing in de winterperiode.

De lessen in scheepsbouw werden ondersteund door in eigen beheer een 18-riemssloep te bouwen, en vanaf november 1856 een kotter. De bouw werd geleid door de timmerman Hervin. Om de uitvoering mogelijk te maken werd in een loods een smederij ingericht omdat ‘de minste spijker moet aangemaakt worden, zo ook veel scheepstimmergereedschap dat hen gans onbekend is’. De vuurstoker Claus gaf praktijkonderricht in de smederij die model zou staan voor de inrichting van diverse smederijen in de stad Nagasaki. Pels Rijcken verzorgde zelf de lessen in ‘tuig van een schip, schiemannen, zeilexercitie en zeilen maken’. Hij liet een zeilmakerij inrichten voor de marineschool, waar de zeilmaker Van Weerdt in beschutte omstandigheden praktijklessen gaf. De zeilen van de Soembing werden vermaakt en hersteld en er werden nieuwe zeilen aangemaakt voor de verschillende sloeptuigen. De zeilmakerij van de marineschool leverde ook de zeilen voor een tuigmodel, dat achter de woning van admiraal Nagaï werd opgericht. Met dit tuigmodel, naar het voorbeeld van een vierkant getuigd fregat ‘op 1/10 der ware grootte’, werden alle denkbare manoeuvres met ra’s, stengen en zeilen geoefend. Vanaf het voorjaar van 1856 oefenden de leerlingen in het aftuigen en weer optuigen van de Soembing. De Japanse matrozen leerden naast roeien ook zeilen met de sloepen. De gouverneur van Nagasaki berichtte op 22 mei 1856 aan de Nederlanders op Dejima dat de Soembing voortaan de naam Kanko Maru (vrij vertaald ‘in het zicht van de glans en glorie’ en aanvankelijk door Japanse tolken geschreven als Kwankomar) droeg.

Tijdens 14 korte oefentochten op zee met dit schip in 1856, werden instructies gegeven in navigatie, scheepsmanoeuvres en geschutexercitie. De aspirant-officieren toonden weinig belangstelling voor de scheepsmanoeuvres, de plaatsbepaling op zee en evenmin voor ‘de handhaving van orde en tucht’. Dat ze zich daarmee in hoge mate afhankelijk maakten van hun onderofficieren en matrozen leek ze niet te deren. Het enthousiasme voor de behandeling van de stoommachine en de ketels was daarentegen even groot bij de aspirant-officieren, -machinisten en -stokers. Slechts enkele getalenteerde leerlingen kregen praktijklessen ‘stuurmanskunst’, maar zij bezaten te weinig wiskundige kennis om de onderliggende theorie te kunnen leren. Uit de aanwijzing van 17 leerlingen voor specialisatie in artillerie viel af te leiden, dat het shogunaat de marineschool ook als militaire academie aanmerkte. Er werd zelfs op aangedrongen dat luitenant-ter-zee s’ Graeuwen vestingbouw en cavalerie in zijn lessen betrok. Op de uitleg dat het de zeeofficieren aan de daarvoor benodigde kennis ontbrak, volgde het Japanse verzoek om genie- en artillerieofficieren aan het marinedetachement toe te voegen. Aan dit verzoek is geen gevolg gegeven. Infanterieaangelegenheden, geschut- en geweerexercities oefenden eveneens een grote aantrekkingskracht uit op de leerlingen. Er werd tweemaal in de week met het geweer op schijven geschoten of met losse patronen geoefend. Trommelen stond traditioneel in hoog aanzien en Pels Rijcken rapporteerde: ‘Het leren trommelen is een woede, dit hoort men de gehele dag en alle dagen ontvangen 11 à 12 personen, die alle trommen bezitten, daarin onderricht van de marinier 2e klasse Heftij’.

Aan het einde van de zomer van 1856 werd een tweede groep van twaalf nieuwe keizerlijke aspirant-officieren op de marineschool verwelkomd. Ongeveer een jaar na de start bleek de aanpak van het Nederlandse detachement toch behoorlijke resultaten op te leveren. De meeste aspirant-officieren hadden ‘de moeilijkste vraagstukken uit de rekenkunst leren oplossen’, en enkelen konden met gemak vierkantsvergelijkingen oplossen. In oktober 1856 waren de lessen gevorderd tot de beginselen van de goniometrie en trigonometrie. De kennis van stoomwerktuigkunde onder de leerlingen stond op een behoorlijk niveau en met het aanleren van praktische vaktechnische kennis en vaardigheden waren eveneens aanmerkelijke vorderingen gemaakt. In oktober 1856 kon Pels Rijcken bovendien met tevredenheid over zijn eigen manschappen rapporteren en een schoon strafregister overleggen. Ofschoon er wel sprake was van overmatig alcoholgebruik onder de ‘mindere schepelingen’ gedroeg men zich over het algemeen goed. In de laatste maanden van 1856 werd een tweetal oefentochten met de Kanko Maru ondernomen om de leerlingen vertrouwd te maken met de wateren in Straat Capellen (Straat van Shimonoseki) tussen de eilanden Kyushu en Honshu. Met het invallen van de winter werd de Kanko Maru afgetuigd en tot begin maart 1857 voor zover nodig ‘aan romp, machines en tuig’ hersteld. Aflossing Ondanks dringende Japanse verzoeken was Pels Rijcken niet bereid om langer dan twee jaar in Nagasaki te blijven. Zijn detachement gaf nog les tot in het najaar van 1857, en maakte nog net mee dat Donker Curtius, met de zogeheten ‘additionele artikelen’ , eindelijk vrijhandelsconcessies bij de Japanners bedong. Het detachement scheepte zich op 1 november 1857 in voor de terugreis naar Batavia. Pels Rijcken reisde aansluitend door naar Nederland.

In de zomer van 1857 was vanuit Nederland een tweede detachement met een door Japan in Nederland besteld oorlogsschip in Nagasaki gearriveerd. De commandant was luitenant-ter-zee W.J.C. ridder Huyssen van Kattendijke. De omstandigheden in Japan waren op dat moment al aan het veranderen. In het voorjaar van 1857 was om binnenlandspolitieke overwegingen een tweede marineschool (Gunkan Kyoju-jo) bij Tsjukiji in Edo opgericht, waar de door het eerste Nederlandse detachement opgeleide leerlingen de lessen gingen verzorgen. In 1858 zetten de Verenigde Staten de Japanse regering voor het blok om akkoord te gaan meteen bilateraal handelsverdrag dat de door Donker Curtius verkregen concessies ver in betekenis overtrof. Japan kon niet anders dan vrijwel direct daarna soortgelijke verdragen aangaan met Nederland, Engeland, Frankrijk, en Rusland. De binnenlandse spanningen in Japan liepen echter snel op onder de buitenlandse bemoeienis met het land. In het voorjaar van 1859 kreeg Kattendijke te horen dat alle keizerlijke leerlingen van Nagasaki naar Edo werden overgeplaatst, en dat het Nederlandse detachement kon vertrekken.

Begin november 1859 reisden de laatste instructeurs af. De marineschool in Nagasaki leidde gedurende zijn korte bestaan van ruim drie jaar in totaal 215 aspirant-officieren op, waarvan 86 door het shogunaat, en 129 door landsheren waren geselecteerd. Ook werd een onbekend aantal leerlingen uit de lagere standen opgeleid. De verdienste van de beide Nederlandse marine detachementen was bovenal dat ze de basis legden voor modern onderwijs in Japan.

Bronnen

  • Bentvelzen C.J.M., ‘Nederlandse marinedetachementen in Japan (1855-1859)’, 1985>
  • Chijs van der J.A., ‘Neêrlands streven tot openstelling van Japan voor de wereldhandel’, 1867
  • Heeffer A., ‘Dutch Algebra and Arithmic in Japan before the Meiji Restoration’, 2015
  • Hosoi A., ‘The Nagasaki Naval Training School in the context of Japanese-Dutch relations in mid nineteenth century’, 1978
  • Huyssen van Kattendijke W.J.C. ridder, ‘Uittreksel uit het dagboek van W.J.C. Ridder Huyssen van Kattendijke gedurende zijn verblijf in Japan in 1857, 1858 en 1859’, 1860
  • Kuyck L.J., ‘G.C.C. Pels Rijcken 1810-1889’, 1926 (ongepubliceerd)
  • Lente van R., ‘Door goeden raad en onderwijs. Nederland en de opening van Japan 1844-1858’, 2014
  • Stellingwerf J., ‘Zijne Majesteits Raderstoomschip Soembing overgedragen aan Japan’, 1988

    Reacties